Spreektekst Statenvoorstel 5e wijzigingsverordening Waterschapsreglementen
De wijzigingen van de waterschapsreglementen die vandaag voorliggen komen deels voort uit een recente wetswijziging over de geborgde zetels, dat is logisch en met dit wetsvoorstel heeft de PVV landelijk ook ingestemd om de directe invloed van de kiezer op het bestuur van de waterschappen te versterken: geborgde zetels doen immers afbreuk aan de democratische zeggenschap. Op dat aspect van de voorstellen heeft onze fractie dan ook geen bezwaar.
Waar wij wel problemen mee hebben is als het gaat om het loslaten van het woonplaatsvereiste van de voorzitter van het waterschap, de dijkgraaf of watergraaf). Dat is zeer discutabel. Het Statenvoorstel geeft nu aan deze woonplicht te schrappen omdat deze niet verplicht is op basis van de Waterschapswet.
In 2018 gaf D66-minister Ollongren van Binnenlandse Zaken in de Tweede Kamer echter nog aan dat het woonplaatsvereiste voor voorzitters van een waterschap wél van toepassing is als uitgangspunt en ze niet van plan was dat te wijzigen[1]:
“Mevrouw Özütok vroeg naar de waterschappen. De voorzitter van een waterschap moet ingezetene zijn van het waterschap. Wij zien geen aanleiding om dat te wijzigen. Waterschappen kunnen desgewenst de voorzitter ontheffing verlenen op basis van hun eigen reglement.”
Sindsdien is voor zo ver ik kan nagaan de wet op dit punt niet gewijzigd. Kan de gedeputeerde daarom aangeven of zij de woorden van de minister kan onderschrijven?
In 2023 werd in de ‘Circulaire Wijzigingen rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers 2022,
voor waterschappen, d.d. 18 januari 2023’[2] ook nog specifiek aangegeven dat in provinciale reglementen de woonplicht voor voorzitters van het waterschap vaak wordt vastgelegd, dit in het kader van ‘Huisvestingsvoorzieningen ingeval aan een voorzitter van een waterschap een woonplicht is opgelegd’.
Het lijkt er dus op dat het wél wettelijk mogelijk blijft om als provincie een woonplicht voor voorzitters van de waterschappen op te leggen. Er is dus géén juridische noodzaak om dit vanwege wetswijzigingen af te moeten schaffen. Daarmee is sprake van een politieke keus van GS om deze woonplicht te schrappen. Kan GS aangeven waar deze politieke keus op gebaseerd is?
Hangt dit wellicht samen met de het schrijven van het Algemeen Bestuur van Waterschap Aa en Maas van november 2022[3] waarin zij richting GS aangeven dat ze het géén prioriteit vinden dat dijkgraaf Mario Jacobs (Groenlinks) naar het werkgebied van het Waterschap moet verhuizen en hij in zijn eigen woonplaats wil blijven wonen? Dit volgens het AB “met in het achterhoofd afspraken die met de heer Jacobs in relatie tot zijn aanstelling zijn overeengekomen.” Een reflex die opvallend vaak bij Groenlinks bestuurders ‘van buiten’ te zien is, deze onwil om zelf te verhuizen naar het gebied waar men bestuurder van is. Kan GS aangeven of deze situatie mede aanleiding heeft gegeven voor dit onderdeel van het Statenvoorstel?
De adviesnota van het Waterschap geeft aan dat de woonplaatsbepaling in 2008 in het provinciaal reglement is opgenomen met als onderbouwing: “De voorzitter wordt geacht een belangrijke rol bij calamiteiten te hebben en om die reden wordt de woonplaats binnen het gebied van het waterschap van belang geacht.” Het is merkwaardig dat het AB van het Waterschap dit argument van calamiteiten als ‘niet steekhoudend’ afserveert. Kan GS aangeven of de rol van de voorzitter van het waterschap bij calamiteiten nog steeds aan de orde is?
En als we over calamiteiten spreken, dan zijn juist de waterschappen van belang. Komend weekend is het exact 73 jaar geleden dat de Watersnoodramp van 1953 plaatsvond. Een ramp waar 254 Brabantse doden bij te betreuren waren. En ook een ramp waar de rol van de overheid bij calamiteiten pijnlijk gefaald heeft. Zo beschreef BN/DeStem[4] bij de 60-jarige herdenking in 2013 hoe in ’53 toenmalig Commissaris van de Koningin De Quay de avond ervoor gewaarschuwd was over de dreigende gevaren, maar toch gewoon naar bed was gegaan. Om vier uur ’s nachts werd hij wakker gebeld door de burgemeester van Willemstad met de woorden: “Commissaris, bent u toch naar bed gegaan? Moeten wij hier verdrinken?”
Commissaris De Quay gaf aan dat hij zelf die avond in Tilburg was en takken op de weg had zien liggen, maar van gevaar van dijkdoorbraken had hij geen notie. Ook door de top van de Provinciale Waterstaat werd de noodkreet van de burgemeester van Willemstad die nacht in eerste instantie genegeerd, zo schreef Trouw in 1993[5] in een interview met deze voormalig burgemeester Van der Hooft.
Juist bij zulke calamiteiten is het van levensbelang dat dijkgraven letterlijk met de poten in de modder staan. Dat zij in hun werkgebied wonen en snel aanwezig kunnen zijn.
Wat de PVV betreft blijft het woonplaatsvereiste dus gewoon bestaan, daartoe ondersteunen we de amendementen hierover die de heer Rutjens zal indienen.
[1] zie p. 6: https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20180628/vereiste_van_ingezetenschap_voor/document3/f=/vkqsowhx70ze.pdf
[2] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2023-3846.pdf
[4] BN/deStem, 30 januari 2013, Paul de Schipper – Heeft herdenken ’53 op deze manier nog zin? - analyse
