Statenvragen nakomen gedane toezeggingen

Geacht college,

Door onze fractie zijn op 31 augustus 2011 vragen gesteld over oprichting van een stichting ten behoeve van Culturele Hoofdstad. Deze vragen zijn door u op 20 september 2011 beantwoord onder kenmerk C2045300/2801620. Het antwoord op vraag 5 luidt als volgt: "Het instellen van een stichting waarborgt een transparante en efficiënte organisatievorm om de kandidaatstelling voor BrabantStad voor te bereiden. De opdracht aan de stichting wordt momenteel uitgewerkt. Deze ligt ter bespreking bij u voor in de commissievergadering van december a.s." Het blijkt echter dat de bespreking op 9 maart 2012 plaats vindt in de Commissie CS, zonder dat de commissieleden zijn ingelicht over de vertraging. Dit voorbeeld leidt tot de volgende vragen van de PVV fractie.

1. Bent u het eens met de PVV dat het van bestuurlijke beleefdheid zou getuigen om, indien een toezegging niet gestand kan worden gedaan, dit met redenen omkleed ter kennis te stellen aan de betrokkenen?

2. Bent u met de PVV van mening dat het nakomen van toezeggingen een wezenlijk element is in de relatie tussen PS en het college? Zo, nee, waarom niet?

3. Kunt u aangeven in hoeveel gevallen toezeggingen, gedaan in schriftelijke vragen, het laatste jaar niet zijn nagekomen zonder opgaaf van redenen? Zo nee, waarom niet?

4. Wordt voor het nakomen van toezeggingen een specifieke werkwijze gevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze wordt het nakomen van toezeggingen op adequate wijze geborgd?

5. Wat gaat het college ondernemen om in het vervolg gedane toezeggingen na te komen, of bijtijds informatie te verstrekken waarom gedane toezeggingen niet op de afgesproken data kunnen worden nagekomen?

Hoogachtend,

Namens de PVV Statenfractie,

Mariëtte Frijters-Klijnen