Geacht college,
Onze fractie heeft kennisgenomen van de recente afspraken tussen de provincie, Milieuorganisatie MOB van Johan Vollenbroek en suikerfabrikant Cosun Beet Company in Dinteloord.[1] De provincie heeft een deal gesloten die de ammoniakuitstoot met circa 95% moet reduceren, in ruil voor het intrekken van procedures door MOB. Dit roept vragen op over de rol van een activistische organisatie, die eerder via rechtszaken druk uitoefent en vervolgens betrokken is bij de uitwerking. Dergelijke deals lijken de industrie op kosten van burgers en bedrijven te belasten en wekken tevens de schijn dat de provincie zwicht voor juridische druk.
De PVV heeft daarom de volgende vragen:
Provinciale Staten van Noord-Brabant, in vergadering bijeen op vrijdag 10 april 2026, ter bespreking van Statenvoorstel 05/26 Perspectiefnota 2027
Constaterende dat:
Geacht college,
Een artikel op de website van het BD maakt duidelijk dat de krant beschikt over een kritische brief van eenentwintig werknemers van het Noordbrabants Museum over het functioneren van de museumdirecteur, gericht aan de raad van toezicht.[1] De medewerkers reppen over een “angstcultuur” binnen het museum en het BD meent dat een bom is gebarsten. Het Noordbrabants Museum krijgt van de provincie een jaarlijkse subsidie van zo’n 4,5 miljoen euro.
Daarom hebben wij de volgende vragen:
Geacht college,
Volgens een statenmededeling over de tweede ronde van het Brabant Outcomes Fund (BOF) is het college voornemens om het BOF onder te brengen bij het Amerikaanse impactfonds Stichting Draper Richards Kaplan (DRK). Volgens het college omdat noch de provincie zelf, noch de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) zogenaamd over de juiste expertise zou beschikken. De middelen die DRK voor de uitvoering van het BOF ter beschikking krijgt worden grotendeels als begrotingssubsidie ter beschikking gesteld.
De PVV heeft hierover de volgende vragen:
Voorzitter,
Met deze zienswijze reageer ik namens de PVV op het ontwerp van de Verordening Grondwaterheffing Noord-Brabant 2026, waarin wordt voorgesteld om de grondwaterheffing ook te laten gelden voor kleinere onttrekkingen (50.000 tot 150.000) en daarmee de verlaging van de heffingsvrije voet juridisch te verankeren.